|
Schotland in de prehistorie
Het is bekend dat Schotland al circa 6000-8000
jaar bewoond is, met opeenvolgende golven van
kolonisten en indringers. Kelten uit het noordwesten
van Europa arriveerden rond 500 v.Chr. Zij werden
door de later binnenvallende Romeinen Britten
genoemd. Deze tijdelijke veroveraars noemden
het land ten noorden van de lijn van de Forth
and Clyde Caledonië, maar noemden de noordelijke
stammen Picten. Al deze benamingen worden vandaag
de dag nog steeds gebruikt in de beschrijving
van de vroege geschiedenis van Schotland. De
naam Schotland is ontleend aan de Scoti, een
andere Keltische stam die in de 5e en 6e eeuw
uit Ierland was overgestoken en zich aan de westkust
vestigde in wat vandaag Argyll heet. Ze waren
talrijk genoeg om het koninkrijk van Dalriada
te stichtten. De taal die zij spraken was het
Gaelisch.
Tegen de tijd van de onafhankelijkheidsoorlogen
De eerste duizend jaren voor Christus
verhalen over oorlogen die de volkeren van Schotland
- Schotten, Picten, Britten en Angelen - langzaam
maar zeker bijeenbrachten. Rond 843 v.Chr. was
een verenigd Schots/Pictisch koninkrijk gevormd.
In 1018 werden de Noordengelsen verslagen in
de slag van Carham en werd bepaald dat de rivier
de Tweed de grens zou zijn. Tegen 1034 werden
de Britten van Strathclyde aan het grotere koninkrijk
toegevoegd, waardoor dit bijna dezelfde omvang
kreeg als het Schotland van nu.
In 1070 trouwde koning Malcolm III
met Margaret, kleindochter van Eduard de Belijder
van Engeland. Dit was één van de
vele gelegenheden waarbij de koninklijke huizen
van Engeland en Schotland door een huwelijk verbonden
werden.
Normandische invloed (nadat de Normandiërs
Engeland veroverd hadden) spreidde zich langzaam
uit tot Schotland en Anglo-Normandische families,
met namen zoals Graham of Bruce, vestigden zich
daar. In 1286 leidde de dood van koning Alexander
III tot een troonopvolgingscrisis in wat voor
Schotland tot dan toe probleemloze en welvarende
tijden waren geweest. Vanwege de nauwe huwelijksbanden
tussen Engeland en Schotland werd Eduard I van
Engeland gevraagd te bemiddelen in het dispuut.
Hij koos een vazalkoning, maar viel in 1295 Schotland
binnen. William Wallace, de eerste vrijheidsstrijder
van Schotland, versloeg de bezetters in 1297
bij Stirling Bridge. Zijn leger werd echter het
jaar daarop verslagen. Robert the Bruce (koning
Robert I) liet zich in 1306 bij Scone tot koning
kronen. Zijn campagne leidde uiteindelijk tot
de slag bij Bannockburn in 1314, toen de Engelse
strijdmacht uit Schotland werd verdreven. In
1320 ondertekenden de Schotten een onafhankelijkheidsverklaring
bij Arbroath Abbey.
De koningen uit het huis Stewart
In het verdrag van Northampton in
1328 werd de onafhankelijkheid van Schotland
eindelijk door Engeland geaccepteerd, maar de
dood van koning Robert I in 1329 leidde tot alweer
een troonopvolgingscrisis - een thema dat in
de geschiedenis van Schotland herhaaldelijk terugkomt.
De dynastie van de Stewarts die daarop volgde
werd gekarakteriseerd door koningen die ofwel
te jong stierven, te zwak waren of fatale militaire
vergissingen maakten. De komende tweehonderd
jaar werd het Schotse koninkrijk verscheurd door
onmin tussen de machtige partijen en aangetast
door overwinningen door Engelse strijdkrachten:
bij Dupplin Moor in 1332, Halidon Hill in 1332
en naar aanleiding van een Franse alliantie bij
Neville's Cross in 1346. De Schotse koningen
David II en Jakobus I brachten beide een tijd
in gevangenschap in Engeland door. Jakobus II
was betrokken bij interne moeilijkheden met de
machtige familie Douglas en werd later gedood
bij het beleg van Roxburghe Castle in 1460. Jakobus
III onderwierp de Heren van de Eilanden (Clan
Donald) maar werd in 1488 door opstandige edellieden
vermoord. Jakobus IV, vaak beschouwd als de beste
koning uit het huis van de Stewarts, heerste
met wijsheid. Hij vernieuwde echter een Franse
alliantie en het was in hun naam dat hij de wapens
tegen Engeland opnam. Als gevolg daarvan leed
Schotland in 1513 bij Flodden haar zwaarste nederlaag
tegen Engeland.
Franco-Schotse banden bleven tot in
de 16e eeuw bestaan: koning Jakobus V sloot twee
Franse huwelijken en bleef Frankrijk steunen.
Het gevolg was een andere Schotse nederlaag,
dit keer bij Solway Moss in 1542. Het laatste
gevecht van de nationale strijdkrachten vond
in 1547 plaats, toen de Schotten bij Pinkie een
nederlaag leden - het hoogtepunt van een bloedige
campagne die bekendstaat als "the Rough Wooing" (de
woeste hofmakerij). Dit was een poging van de
Engelse koning Hendrik VIII om zijn jonge zoon
uit te huwelijken aan de nog jongere Mary, Queen
of Scots, en zodoende de twee koninkrijken te
verenigen.
Mary, Queen of Scots was waarschijnlijk
de meest geruchtmakende historische persoon in
de geschiedenis van Schotland en stond centraal
in een opstandige periode: de Hervorming. John
Knox was een van de voornaamste hervormers. Hij
nam deel aan de anti-Franse anti-paapse revolutie
en zou later de minister-generaal van Edinburgh
worden. Mary was de moeder van koning Jakobus
VI. Via de bloedbanden met het Engelse koningshuis
die eeuwenlang gehandhaafd bleven (koning Jakobus
IV trouwde bijvoorbeeld met Margaret Tudor, zuster
van koning Hendrik VIII van Engeland) erfde Jakobus
het koningschap over Engeland in 1603. Hij werd
koning Jakobus I van Engeland en omdat hij dit
regeringsambt veel lonender vond, verhuisde hij
naar het zuiden. Hij keerde slechts eenmaal naar
Schotland terug, en wel in 1617.
Zowel Schotland als Engeland werd
in de 17e eeuw geteisterd door religieuze oorlogen.
Nadat koning Karel I in 1637 had geprobeerd episcopaalse
praktijken in de presbyteriaanse kerk te introduceren,
ondertekenden vele Schotten het Grote Covenant
als teken van verzet. Zij werden de Covenanters
(Schotse hervormers) genoemd. De Schotse steun
voor koning Karel II leidde echter tot de invasie
en bezetting door de parlementaire strijdmacht
van Oliver Cromwell van 1650 tot 1660. Verzet
en wreedheid tegen de Covenanters hield aan van
1660 tot 1690, de hele duur van de heerschappij
van koning Jakobus VII (II van Engeland).
De jakobieten
Aan de wreedheid jegens de Covenanters
kwam pas met de Engelse opstand tegen Jakobus
VII/II een einde, toen zijn dochter Mary en haar
protestantse echtgenoot Willem van Oranje werden
uitgenodigd de Britse troon over te nemen als
reactie op de katholieke principes van Jakobus
VII/II. De heerschappij van Willem en Mary vestigde
een nieuwe religieuze tolerantie en het laatste
verzet van de Stewarts werd beëindigd in
de slag bij Killiecrankie (1689), waar hun generaal
Graham van Claverhouse (Bonnie Dundee) werd gedood.
Toen Jakobus VII/II naar Europa vluchtte, kregen
zijn volgelingen de naam jakobieten. De Hooglandse
clans, van wie velen net als de onttroonde koning
katholiek waren, werden gezien als een potentiële
bron van instabiliteit, een broeinest van jakobitisme.
(Dit was niet alleen een Schotse beweging, ook
katholieke naties zoals Frankrijk en Spanje waren
betrokken bij dit politieke spel dat zich over
heel Europa uitstrekte). Clans werden gedwongen
een eed van trouw te zweren en de traagheid waarmee
een van de takken van MacDonalds reageerde, leidde
tot de massamoord van Glencoe in 1692.
De eerste grote jakobitische opstand
vond plaats in 1715, onzeker geleid door de graaf
van Mar ("Bobbin John" genoemd vanwege zijn gewoonte
om tijdens zijn politieke carrière van
partij te wisselen). Dan was er de kleine opstand
in 1719, tijdens welke Eilean Donan Castle in
een bombardement door de Britse marine werd vernietigd
en diverse Spaanse troepen in het nabij gelegen
Glen Shiel werden verslagen. Uiteindelijk vond
de rampzaligste opstand voor de Hooglanders plaats
in 1745. De opstand van 45 werd geleid door prins
Karel Eduard Stuart, kleinzoon van koning Jakobus
VII.
Deze jakobitische episoden luidden
voor Schotland een meer handelsgericht tijdperk
in. Geïnspireerd door de overzeese handelssuccessen
van Engeland, besloten de Schotten een overzeese
kolonie te stichten. Engeland was echter bang
voor concurrentie en stond hier onwelgevallig
tegenover. Dit was het tot mislukken gedoemde
Darien-plan, dat de bedoeling had een Schotse
kolonie te stichten op de landengte van Panama.
Toen de expeditie in 1698 met grote moeilijkheden
te kampen had, verbood Engeland al haar koloniën
in de buurt te helpen en stond zij toe dat het
Spaanse leger de Schotten aanviel. De kolonie
werd verlaten. Zowel kleine kooplieden als de
adelstand hadden grote bedragen in het plan geïnvesteerd
en het mislukken ervan bracht Schotland op de
rand van faillissement.
In de tussentijd leidde de regeling
van één monarch (in Londen) en
twee parlementen (Londen en Edinburgh) tot een
onhoudbare situatie. De Schotten waren het niet
eens met de besluiten over de kroonopvolging
die door het Engelse parlement werden genomen
en dreigden de koning uit het huis van Stewart
terug te roepen, die in Europa wachtte. Engeland
reageerde met economische sancties. Het straatarme
Schotland had vrije handel nodig. Engeland, betrokken
in een oorlog met Frankrijk, kon het zich niet
veroorloven een pro-jakobitische buur (m.a.w.
die vóór Frankrijk was) aan de
noordelijke grens te hebben. Het resultaat was
de Treaty of Union. Voor het geval dat de Schotten
dit verdrag niet zouden accepteren, werden bij
Newcastle nabij de Schotse grens Engelse troepen
gestationeerd, onder aanvoering van generaal
Wade. Zo verloor Schotland in 1707 haar onafhankelijkheid.
Het Schotse parlement werd ontbonden maar voor
het Engelse parlement bleef alles bij het oude,
met als enige uitzondering dat er nu ook een
Schotse vertegenwoordiging was.
Zoals reeds eerder gezegd was dit
een periode van jakobitische opstand, zelfs nadat
de twee naties waren verenigd. Toen de Jonge
Ridder - prins Karel Eduard Stuart oftewel Bonnie
Prince Charlie - in 1745 in Schotland arriveerde,
verzamelde hij een leger dat hoofdzakelijk uit
Hooglanders bestond en leidde hij dit zuidwaarts
tot aan Derby in Engeland. Schotland concentreerde
zich echter steeds meer op de handel en vele
Schotten zagen de interessen van de prins als
een bijzaak. Nadat hij bij de slag van Culloden
was verslagen, een strijd tussen het leger van
de Britse regering (voor wie vele Schotten vochten)
en hoofdzakelijk Hooglandse jakobieten, besloten
de autoriteiten dat het tijd was om de Hooglandse
levensstijl voorgoed te veranderen.
Naar het moderne Schotland
Het gevolg was dat de Hooglandse kledij
en het dragen van wapens jarenlang verboden bleef.
Met de ontbinding van het clanstelsel
namen vele nieuwe landheren en landeigenaars
in de Hooglanden het heft in eigen handen. Zij
introduceerden nieuwe economische maatregelen,
waaronder de regel dat schapen voortaan wijdverspreid
mochten grazen. Vele clansleden emigreerden naar
de Nieuwe Wereld. Rond het begin van de 19e eeuw
werd schilderachtig landschap als gevolg van
de Romantische periode plotseling echter bijzonder
gewaardeerd. Het beeld van de wilde Hooglander
onderging een "gedaanteverwisseling", hetgeen
verder werd aangemoedigd door het werk van auteurs
zoals Sir Walter Scott. De Hooglanden kregen
het uiteindelijke zegel van goedkeuring toen
koningin Victoria besloot om aldaar haar zomerverblijf
te kiezen: Balmoral in Deeside.
De Hooglanden werden een populaire
speelplaats voor de rijken, met uitgestrekte
gebieden die als een soort van reservaat voor
herten werden aangewezen. Dit was een belangrijke
factor in de ontruiming van de Hooglanden, een
reeks wrede verdrijvingen die verspreid over
de hele Hooglanden plaatsvonden, van Perthshire
tot Sutherland en Skye, de westelijke eilanden
en zelfs Shetland. Achter deze ontworteling en
wereldwijde verspreiding van de Hooglanders lagen
economische redenen van de landeigenaars: schapen
waren meer winstgevend dan huurders, terwijl
het voor de jachtgebieden belangrijk was dat
de edelherten ongestoord door landbouw en veehouderij
konden leven.
Terwijl de Hooglanders uit de landerijen van de landheren werden verdreven,
vond in de Laaglanden van Schotland een soort van revolutie plaats. Culloden
en de onderdrukking van de jakobieten hadden het Britse regeringssysteem en
de op handel gerichte economie veiliggesteld en dit leidde tot een bloei in
industrie, innovatie en overzeese uitbreiding. Naarmate het Britse Rijk zich
verder over de aardbol uitstrekte, nam ook de groei in de thuislanden toe en
steden zoals Glasgow en Dundee zagen een bevolkingsexplosie. Groot-Brittannië werd
het eerste geïndustrialiseerde land ter wereld en Schotland stond hierin
voorop. Glasgow en de Clyde-vallei werden al snel de machinekamer van het Britse
Rijk, beroemd om haar staal- en ijzerfabrieken en vooral de scheepsbouw. Dundee
werd het wereldcentrum van de jute-industrie en Perth het thuis van Schotse
whisky en wolververijen. Het was echter de hoofdstad van Schotland die de grootste
veranderingen zou zien. De bevolking van de stad, die tot nu toe in de Royal
Mile was samengepakt, spreidde zich in elke richting uit. Er stroomde meer
en meer geld de stad binnen en ten noorden van de oude stadswijken ontstond
de New Town. Vanwege de toevloed van intellectuelen kreeg Edinburgh de naam
'Het Athene van het Noorden'. Deze periode zou later bekendstaan als de 'Verlichting',
en Edinburgh werd wereldwijd erkend als een belangrijk centrum van de wetenschap,
vooral op het gebeid van geneeskunde.
Tegen 1900 bevond Groot-Brittannië zich op het toppunt van haar macht,
met meer dan een kwart van de wereld onder haar vlag, de Union Jack. Industriële
productie in Schotland bereikte haar piek, en 2 van elke 3 schepen die over
de zeeën vaarden waren op de scheepswerven van Clyde gebouwd. In de Hooglanden
hadden verbeteringen een einde gemaakt aan de gehate uitdrijving. Het leek
alsof er niets verkeerd kon gaan, maar aan de horizon pakten zich zwarte wolken
samen.
De Schotten, en vooral de Hooglanders, stonden sinds jaar en dag bekend als
een strijdlustig volk en toen het land in de ellende van de Eerste Wereldoorlog
werd gesleept, waren het wederom de Schotten die voor koning en vaderland de
wapens ter hand namen. Schotten uit elke hoek van het land schreven zich bij
hun plaatselijke regimenten in en werden naar de slachtpartijen aan het westelijke
front gestuurd. Het Schotland dat uit de wapenstilstand van 1918 oprees, was
in elk opzicht een ander land.
Na 250 jaar lang door Londen gedomineerd te zijn, geloofden sommige Schotten
dat het tijd was om zich te ontdoen van de Engelse boeien en een volledig onafhankelijk
Schotland te creëren, zoals dat ook in Ierland was gebeurd. Het merendeel
geloofde echter nog steeds in het concept van Groot-Brittannië en de vereniging
met Engeland. Na de Tweede Wereldoorlog viel het industriële verval in
Schotland samen met de val van het Britse Rijk: fabrieken en scheepswerven
werden gesloten en werkloosheid steeg tot ongekende hoogten. Meer en meer Schotten
eisten onafhankelijkheid of minstens een zekere vorm van decentralisatie. Toen
er tegen het einde van de jaren zestig olie in de Noordzee werd aangeboord
en Groot-Brittannië zich in 1973 bij de EEG aansloot, leken Schots nationalisme
en onafhankelijkheid een haalbaar concept. In 1978 vroeg de Labour-regering
het volk van Schotland in een referendum of zij een gedecentraliseerde regering
wenste. Het scheelde maar een haar, maar er waren nog steeds niet voldoende
stemmen om de sprong te wagen. Na 18 jaar conservatief regeringsbestuur vanuit
Londen waren vele Schotten van mening dat hun burgerrechten hen tot op zekere
hoogte waren ontnomen. Hoewel Schotland na elke verkiezing opnieuw een minderheid
aan conservatieve ministers naar haar 72 kiesdistricten stuurde, werd zij nog
steeds door een conservatieve regering geregeerd. Na haar verkiezingsoverwinning
in 1997 hield de nieuwe Labour-regering wederom een referendum waarin de Schotten
gevraagd werd of zij een gedecentraliseerd parlement wensten. Deze keer sprak
Schotland overduidelijk haar voorkeur uit en in 1999 opende de koningin het
eerste parlement van Schotland in bijna 300 jaar. Schotland blijft een integraal
deel van het Verenigd Koninkrijk, maar de meeste plaatselijke beslissingen
worden nu in plaats van in Londen in het hartje van Edinburgh genomen. |